Soms kom je ergens aan en verandert er iets voordat je überhaupt je koffer hebt uitgepakt.D at begon in Toscane al op de weg naar het huis van onze vrienden. Een kronkelige weg omhoog, steeds verder van de bewoonde wereld. En toen we er eenmaal waren, leek het alsof we niet alleen een heuvel op waren gereden, maar ook een paar eeuwen terug in de tijd.
Mijn vrienden hebben een deel van een oud kasteeltje gekocht. Een huis met dikke muren, oude stenen en luiken voor de ramen. Alles ademt geschiedenis. Alsof de tijd hier wat langzamer voorbijgaat. En misschien ging hij dat ook voor ons. Vijf dagen lang hoefde ik eigenlijk niet zoveel. We waren vooral samen.
Dat is misschien wel het eerste wat ik meeneem van deze dagen. Hoe fijn het is wanneer vriendschap zo vanzelfsprekend voelt. Je hoeft niets uit te leggen. Je kunt samen aan tafel zitten, een beetje praten, een beetje lachen, stil zijn. Iedereen doet zijn eigen ding en toch ben je samen.
We bezochten verschillende dorpjes. Sommige waren zo schilderachtig dat ze bijna onwerkelijk leken. Kleine straatjes, oude huizen, luiken, verweerde muren. Hier en daar een klein antiekwinkeltje of een brocante marktje. Ik kon er eindeloos rondkijken.
Niet alleen omdat ik houd van oude spullen, maar omdat ik me steeds afvroeg wie hier al die jaren had gewoond. Wie door die straatjes had gelopen. Wie die stoel ooit aan een tafel had gezet. In sommige stadjes was het allemaal wat chiquer. Etalages waarin niet zomaar spullen stonden, maar kleine voorstellingen waren. Alsof zelfs winkelen hier iets langzamers mocht zijn.
En dan was er de zee. Kleine dorpjes, verborgen baaitjes en restaurants die bijna in de rotsen leken te zijn gebouwd. Geen ingewikkelde gerechten. Gewoon eten dat smaakt naar wat het is. Verse vis. Tomaten. Goed brood. Olijfolie. Pure smaken. Misschien is dat wel wat me zo aantrekt in Italië. Dat eten niet ingewikkeld hoeft te zijn om bijzonder te zijn. Een bord verse vis eten terwijl je uitkijkt op de haven waar diezelfde vis een paar uur eerder nog vandaan kwam. Meer heb je soms niet nodig.
En dan die tomaten. Zo simpel, maar zo ontzettend lekker. In Toscane zijn ze echte lekkerder dan hier. En daarom besloot ik een stukje Toscane mee naar huis te nemen. Ik nam zaadjes mee van drie verschillende tomatensoorten. Volgend jaar wil ik ze zelf kweken. Eerst binnen zaaien, een beetje warmte en geduld, en vanaf half mei mogen de plantjes naar buiten. Dan is het wachten tot de eerste groene tomaten verschijnen en langzaam rood kleuren.
Ik vind het een mooi idee dat zo’n paar kleine zaadjes straks herinneren aan vijf dagen Toscane. En wie weet eet ik volgend jaar mijn eigen Italiaanse tomaten, gewoon uit mijn eigen tuin.
En natuurlijk ging er ook meel mee naar huis. Dit weekend ga ik focaccia bakken. Ook dat vind ik leuk aan reizen. Dat je niet alleen foto’s en herinneringen mee naar huis neemt, maar soms ook iets wat thuis opnieuw een herinnering wordt. Een geur. Een smaak. Een recept. Een plantje. Iets waardoor je ineens weer even terug bent.
Ik ontdekte er trouwens nog iets wat ik eigenlijk nauwelijks kende: passievrucht. Niet bepaald typisch Italiaans, weet ik inmiddels, maar ik at het daar iedere ochtend bij mijn ontbijt. Zo’n klein, vrolijk detail dat blijkbaar ineens onderdeel van mijn vakantie werd. En tussen alle uitstapjes door was er vooral veel tijd. Tijd om in een hangmat te liggen met een boek. Tijd om niets te doen. Tijd om lang te tafelen. En tijd om te slapen. De luiken in mijn slaapkamer maakten de kamer ’s nachts volledig donker. Geen straatlantaarns, geen licht van buiten. Alleen stilte. Ik sliep er heerlijk.
Op een ochtend ging ik vroeg wandelen. De wereld was nog stil en de zon kwam langzaam op. Ik liep langs een oud, verlaten kasteel en keek uit over het dal. Onder me hing nog mist tussen de heuvels. Langzaam trok die op terwijl de zon hoger kwam. Ik bleef even staan. Niet omdat ik ergens naartoe moest. Gewoon omdat het mooi was. Misschien zijn dat uiteindelijk de momenten die ik het liefst onthoud.
Niet het dorpje waarvan ik de naam alweer moet opzoeken. Niet het restaurant waar we precies zaten. Maar dat ene ochtendlicht. De geur van het eten. Een boek in een hangmat. Een bord spaghetti met pesto. Een donkere slaapkamer. Een kronkelige weg omhoog. En vrienden bij wie alles vanzelfsprekend voelt. Vijf dagen was ik er. En toch voelde het alsof ik even uit de tijd was gestapt. Misschien is dat ook een vorm van thuisgevoel. Dat je ergens anders kunt zijn en je toch helemaal op je gemak voelt. Dat je niets hoeft. Dat je kunt vertragen. En dat je, wanneer je weer naar huis gaat, niet alleen terugkomt met een telefoon vol foto’s, maar met iets van die plek in je hoofd. En misschien straks ook een paar Toscaanse tomaten in mijn tuin.




