Sardinië was geel. Geel van het gras dat door de warmte was verdroogd. Van de graanvelden die na de oogst kaal achterbleven. Van stoffige wegen en muren waar de zon de hele dag op stond. Het landschap was veel droger en kaler dan ik had verwacht. En toch was het mooi.
Misschien juist door het licht. Door de eenvoud van het landschap. Door het contrast met het diepe blauw van de zee, dat nog blauwer leek tegen al dat geel en bruin.
Het was warm. Heel warm. Zo warm dat je sommige dagen eigenlijk niet zoveel kon doen. En misschien was dat maar goed ook. We hadden een huisje met een lange oprijlaan. Mijn zoon was net bezig met zijn rijbewijs en gebruikte die laan waarvoor hij uitstekend geschikt was: eindeloos heen en weer rijden en oefenen. Iedere keer trok de auto een klein wolkje stof achter zich aan.
Ik moest erom lachen. Het was zo’n beeld dat precies bij deze vakantie hoorde. Geen haast, geen verkeer, geen afspraken. Gewoon een jongen die zijn rondjes reed en een moeder die ondertussen een beetje voor zich uit zat te kijken. We hoefden eigenlijk nergens naartoe. Dat was misschien wel het mooiste.
De dagen waren warm en traag. Overdag was de zon fel en het landschap bijna uitgedroogd. In de velden stonden hier en daar nog wat tomatenplanten, met vruchten die langzaam van groen naar rood kleurden. Een klein beetje kleur tussen het geel en bruin. In oude stadjes waren de muren zelf onderdeel van het landschap. Zandkleurig en geel, verweerd door de zon en de jaren. Soms ineens een felgekleurde muurschildering op een oude muur. Een deur. Een raam. Een paar bloemen.
Soms liepen we een oud kerkje binnen. Buiten was de warmte bijna tastbaar. Het felle licht maakte dat je je ogen een beetje dichtkneep als je naar binnen ging. Maar zodra de zware deur achter je dichtviel, veranderde alles. Koelte. Stilte. Het gedempte licht, de dikke muren, oude schilderingen die al zoveel zomers hadden meegemaakt. Je bleef er vanzelf wat langer zitten. Niet omdat je iets moest bekijken. Niet omdat je ergens naartoe moest. Gewoon omdat het fijn was om even binnen te zijn. Het waren kleine momenten, maar misschien zijn het juist die momenten die een vakantie kleur geven.
En dan waren er de gesprekken. Met mijn zoon. Op vakantie ontstaat daar ineens ruimte voor. Thuis zit een dag al snel vol met alles wat moet gebeuren. Boodschappen, werk, afspraken, een was die nog moet worden opgevouwen. Je praat wel, maar soms tussendoor. Hier was tijd. We praatten onderweg, aan tafel, buiten bij het huisje. Over van alles. Soms serieus, soms helemaal nergens over. Misschien hoefde er ook niets bijzonders gezegd te worden. Het was gewoon fijn om samen te zijn. Ik denk dat ik dat later nog het meest zal onthouden. Niet precies waar we die dag waren of wat we hebben bekeken, maar die vanzelfsprekende momenten waarop je naast elkaar zit en alle tijd hebt.
Tegen de avond werd alles mooier. De hitte nam langzaam af en het licht veranderde. We zaten soms op een terras met een glas koude witte wijn, uitkijkend over de bergen. Het glas koude wijn in mijn hand. De lucht nog warm. Voor ons het landschap dat langzaam van kleur veranderde. En dan kleurden de bergen roze in het laatste licht van de zon. Overdag waren ze droog en bijna hard. Nu werden ze zacht. We hoefden alleen maar te kijken. Er was niets meer nodig. Misschien is dat wat ik zo fijn vond aan deze vakantie. Dat niets hoefde.
We hoefden niet iedere dag iets te ondernemen. Niet alle mooie plekken te zien. Niet iedere ochtend een plan te maken. Soms was het te warm om veel te doen. Dus deden we weinig. We zaten. We praatten. We dronken een glas wijn. We liepen een kerk binnen. Mijn zoon reed zijn rondjes over de stoffige oprijlaan. En aan het einde van de dag keken we naar de bergen.
Als ik aan Sardinië terugdenk, zie ik geen perfect vakantieplaatje. Ik zie een ezel in een geel weiland. Dorre graanvelden. Stof dat achter een auto opwaait. Een bijna rode tomaat. Gele muren in oude stadjes. Kleuren op verweerde muren. Ik zie de koelte van een oud kerkje. Een koud glas witte wijn. En bergen die aan het einde van de dag roze kleuren.
Ik zie vooral de ruimte. De ruimte om niets te hoeven. Misschien is dat wel wat een vakantie soms kan geven: even uit het ritme stappen waarin alles een reden en een bestemming moet hebben. Een paar dagen waarin je nergens naartoe hoeft. Waarin een warme middag gewoon een warme middag mag zijn. Waarin een gesprek vanzelf ontstaat. Waarin je blijft zitten omdat het uitzicht mooi is. En waarin je aan het einde van de dag denkt: er was eigenlijk niets nodig. Alleen wat tijd. Een beetje stilte. De zee. En iemand met wie je die tijd kunt delen.




